Doelstellingen

Bij de oprichting van de Commissie in 1846 werd het doel omschreven als de voorbereiding van een verzameling van de "bepalingen" (les dispositions) die het bestuur van de verscheidene Belgische gewesten, vóór de aanhechting bij Frankrijk, hadden geregeld. Volgens het verslag aan de Koning diende onze Commissie de "wetten en andere besluiten" die onze gewesten beheerd hadden op te zoeken en te publiceren, vooral diegene uitgevaardigd sinds het midden van de vorige eeuw, "een tijdstip waarvan de wetgeving het meeste raakpunten vertoonde met de nog open belangstelling". Hiermee werden in de eerste plaats de wetten en andere bepalingen uit de 18de eeuw bedoeld die niet waren afgedrukt in de Plakkaatboeken van Vlaanderen en Brabant en in de "Recueil des édits" van de Louvrex en Loon. Maar het programma was ambitieuzer: het ging er daarenboven om "in één enkel corpus alle monumenten van onze oude wetgeving te vervolledigen en misschien zelfs uit te geven".

De bedoeling van de oprichters wordt vrij getrouw weergegeven in een advies van Antoine de Cuyper van 29 februari 1856 : "… il ne s’agit pas seulement d’une simple collection destinée à satisfaire la curiosité de quelques rares érudits, … il s’agit d’un véritable monument à élever à notre nationalité, de la publication de nos titres de famille belge, de toute notre législation historique, c’est-à-dire de ce qui constitue l’expression la plus haute et la plus fidèle de notre nationalité".

Dit initiatief stond niet alleen in West-Europa. Reeds in 1819 was in Frankfurt de Gesellschaft für ältere deutsche Geschichtskunde opgericht door enkele afgevaardigden in de Bundestag, op initiatief van Karl Freiherr vom Stein. Het lag in de bedoeling verscheidene reeksen historische bronnen, waaronder Leges, uit te geven voor de periode van 500 tot 1500. De initiatiefnemers hoopten aldus bij te dragen "zur Erhaltung der Liebe zum gemeinsamen Vaterland". In Engeland publiceerde een Record Commission van 1810 tot 1829 The Statutes of the Realm in 11 boekdelen over de jaren 1225 tot 1713. In Frankrijk was de uitgave van de Ordonnances des rois de France de la troisième race weer opgenomen vanaf 1811. Daarnaast verscheen de Recueil général des anciennes lois françaises depuis l’an 420 jusqu’à la Révolution de 1789 onder redactie van Jourdan, Decrusy, Isambert en Taillandier.

Eerste benoemingen en samenstelling

Bij K.B. van 18 april 1846 werd de Commissie samengesteld uit tien personen: M. Leclercq als voorzitter, J. Raikem als ondervoorzitter, A. de Cuyper, J.B. Th. de Jonghe, A. Delebecque, Delrée, J. de Saint-Genois, L.P. Gachard, M. Polain en Van Innis, als leden. De laatste aanvaardde zijn benoeming niet en werd vervangen door L. Colinez bij een K.B. van 19 juni 1846. Fr. Grandgagnage werd door dat besluit als elfde lid aan de Commissie toegevoegd.

De Commissie bestond in 1846 voor meer dan de helft uit leden van de rechterlijke macht : Matthieu N.J. Leclercq, procureur-generaal bij het hof van Cassatie, oud-minister van Justitie, Jean J. Raikem, procureur-generaal bij het hof van Beroep te Luik, oud-minister van Justitie, Antoine A. de Cuyper, raadsheer in het hof van Cassatie, Alphonse J. Delebecque, advocaat-generaal bij het hof van Cassatie, Louis A. Colinez, advocaat-generaal bij het hof van Beroep te Gent, François Grandgagnage, raadsheer in het hof van Beroep te Luik. Onder de leden waren er nog twee juristen, Jean-Baptiste Th. De Jonghe, dr. in de rechten te Brussel en Delrée, advocaat te Luik, alsmede twee archivarissen : L.-P. Gachard, Algemeen Rijksarchivaris en M. Polain, archivaris van de provincie Luik, en een bibliothecaris, J. de Saint-Genois (Rijksuniversiteit Gent).

In de regel werd de Commissie later slechts aangevuld na het overlijden of het ontslag van een lid. Zo werden G.J. Stas en Ch. Faider bij K.B. van 25 februari 1858 benoemd ter vervanging van advocaat Delrée en A. Delebecque die respectievelijk in 1856 en 1857 overleden waren. In 1906 daarentegen werden acht nieuwe leden benoemd, na het overlijden van de voorzitter en twee leden.

Taken

Daar het K.B. van 18 april 1846 onze Commissie de taak toevertrouwde om de uitgave voor te bereiden van de " dispositions qui ont régi les divers territoires dont se compose la Belgique actuelle ", werd ze dan ook " Koninklijke Commissie tot uitgave van de Oude Wetten en Verordeningen van België " genoemd. Onder deze oude wetten en verordeningen van het land vielen, naar haar oordeel, vooreerst de verordeningen van de Oostenrijkse Nederlanden, het prinsbisdom Luik en de heerlijkheid Stavelot, verder de ontwerpen, de officiële optekening en de interpretatie van de costumen van die gewesten en ten slotte de verdragen die op die landen betrekking hadden.

De Commissie besliste zonder aarzelen dat " de Verzameling " diende aan te vangen " vanaf de tijd toen de verschillende provincies van het koninkrijk hun eigen vorsten hadden " (zonder te preciseren wat ze daaronder verstond). Daarentegen verschilden de meningen over de volgorde waarin men te werk zou gaan : de enen oordeelden dat de " logica " en de " wetenschap " eisten dat men zou beginnen bij de oudste periode, zich beroepend op het voorbeeld van het Recueil des Ordonnances du Louvre. Anderen voerden aan dat het zeer moeilijk was middeleeuwse akten op te zoeken en te verzamelen en dat men pas na verscheidene jaren het eerste boekdeel zou kunnen laten drukken ; dat daarentegen de teksten van de vorige eeuw gemakkelijk te verzamelen waren en de wetgeving van de laatste eeuw " iedere dag van practisch nut " kon zijn, temeer omdat de Placcaert-boecken van Vlaanderen en die van Brabant niet de wetgeving bevatten voor de ene na 1786 en voor de tweede na 1768. De twee standpunten werden in zekere mate verzoend door te beslissen de " Verzameling van wetten en verordeningen " uit te geven in drie chronologische reeksen. Maar er werd beslist de uitgave te beginnen met de derde reeks (1700-1794). De Commissie hield zich in de eerste jaren van haar bestaan hoofdzakelijk bezig met de voorbereiding van de uitgave van de verordeningen van de Oostenrijkse Nederlanden en van het prinsbisdom Luik tijdens de 18de eeuw. M. Polain kwam het eerst klaar met de uitgave van de derde reeks van de Luikse verordeningen (1684-1794). Het eerste deel verscheen in 1855, het tweede in 1860. In 1860 kwam L.P. Gachard klaar met het eerste deel (1700-1706) van de 3e reeks van de verordeningen van de Nederlanden. Vijf andere delen zullen hierop volgen.

Met het onderzoek naar de costumen werd eerst een aanvang gemaakt in 1858. Een algemene bespreking werd aan het onderwerp gewijd, o.m. in verband met de geografische beperking van de publicatie, de nadere bepaling van het onderwerp en de wenselijkheid van vertalingen. Zo werd besloten de gehomologeerde en de niet-gehomologeerde costumen te publiceren, evenals de wijsdommen en de privé-optekeningen van het costumiere recht. De costumen van plaatsen die in 1859 buiten het Belgische grondgebied lagen, zouden maar worden opgenomen voor zover ze ook in plaatsen van het Belgisch grondgebied hadden gegolden. De costumen zouden worden gegroepeerd naar de oude indeling in hertogdommen, graafschappen, steden, kasselrijen enz. Op verzoek van de Commissie werden de richtlijnen voor de uitgave van de costumen op 2 juli 1859 door de minister van Justitie, V. Tesch, goedgekeurd. De eerste tekstuitgaven verschenen in 1867 ; in 1914 had de Commissie 68 quarto boekdelen costuimen uitgegeven.

Voorzitters

1846-1881 Matthieu N.J. LECLERCQ (°1796-†1889)
Procureur-generaal bij het Hof van Cassatie

1881-1888 Guillaume DE LONGE (°1815-†1890)
Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie

1888-1893 Charles FAIDER (°1811-†1893)
Procureur-generaal bij het Hof van Cassatie

1894-1904 Louis CRAHAY (°1834-†1904)
Raadsheer in het Hof van Cassatie

1906-1911 Graaf Thierry M.J. DE LIMBURG-STIRUM (°1827-†1911)
Senator

1911-1922 Jules P.A. LAMEERE (°1837-†1922)
Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie

1922-1950 Baron Paul VERHAEGEN (°1859-†1950)
Kamervoorzitter van het Hof van Cassatie

1950-1952 Jules SIMON (°1881-†1952)
Raadsheer in het Hof van Cassatie,
Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Gent

1953-1968 François-Louis GANSHOF (°1895-†1980)
Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Gent

1969-1987 John GILISSEN (°1912-†1988)
Hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Brussel,
Auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof

1987-2002 Philippe GODDING (°1926-†2013)
Hoogleraar aan de Université catholique de Louvain

2002- Serge DAUCHY (°1963)
Hoogleraar aan de Facultés universitaires Saint-Louis te Brussel