Toeval of niet, maar de tweede middag van het recht vond plaats in dezelfde week dat de herziening van artikel 12 van de Grondwet werd gepubliceerd. Hierdoor wordt de maximumarrestatietermijn verlengd van 24 naar 48 uur. De wijziging komt tegemoet aan een oude verzuchting, maar de vraag is of ze enige impact zal hebben op de hoge cijfers van personen in voorlopige hechtenis? Vier ervaren sprekers presenteerden het talrijk opgekomen publiek alvast hun ervaringen, bedenkingen en voorstellen om een beter evenwicht te vinden in de voorlopige hechtenis.

Uniforme regeling om dossier te raadplegen

De eerste spreker van dienst was Eric Maes, doctor in de criminologie, wetenschappelijk medewerker bij het NICC en een nationaal en internationaal gerenommeerd onderzoeker in de thematiek. Hij plaatste de cijfers - “ongeveer 36 % van de gevangenispopulatie zijn mensen die nog niet definitief veroordeeld zijn” - in een historisch, internationaal en criminologisch perspectief. Hij verduidelijkte dat dit percentage ook moet worden gespiegeld aan het totaal aantal straffen in uitvoering. Uit statistieken van de Raad van Europa van 2015 blijkt dat België met 28,3 % verdachten in voorlopige hechtenis op 100.000 inwoners, procentueel dicht bij andere Europese landen ligt. Na de wetshervorming van 1990 zijn de cijfers gestegen (sinds 2003 stellen we stabiliteit vast). Hiervoor bestaan verschillende verklaringen zoals een hogere aangiftebereidheid, nieuwe onderzoekstechnieken zoals DNA-onderzoek met gevolgen voor de ophelderingsgraad en het gewijzigde profiel van personen ten aanzien van wie een gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd.

Eric Maes pleit in de praktijk voor een uniforme regeling van de omstandigheden van de raadpleging van het dossier. Voor wat de alternatieven betreft, blijkt dat advocaten in tweede orde vaak pleiten voor een voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht of een vrijheid onder voorwaarden, in plaats van een vrijlating. Deze alternatieven worden ook vaak progressief toegepast: van voorlopige hechtenis naar voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht om dan naar een vrijheid onder voorwaarden te gaan. De vrijheid onder voorwaarden krijgt soms ook de ‘allure’ van probatiemaatregelen, maar wat dan met het vermoeden van onschuld? Moeten de alternatieven daarom ook niet meer worden geformuleerd als de voorlopige hechtenis zelf: als een uitzondering op de invrijheidsstelling?

Juridische illusie voor praktisch probleem

Als tweede spreker kregen we Philip Daeninck. Hij is een voormalig collega van Erik Maes en actueel is hij advocaat aan de balie van Hasselt. Philip Daeninck pikte meteen in op zijn oud-collega door een alternatieve titel te formuleren voor deze middag: “Een juridische illusie voor een praktisch probleem”. De wet voorlopige hechtenis is een goede wet, maar hij moet worden gekaderd in de hele juridische context. Vergist de wetgever zich niet van doelwit door aan deze wet te willen sleutelen? De strafuitvoering heeft een belangrijke coïncidentie op de voorlopige hechtenis waardoor die soms wordt beschouwd als enige uitweg om een lik-op-stukreactie te kunnen geven. Naar zijn mening was het een historische fout om de korte gevangenisstraffen niet meer uit te voeren. Dit heeft mee de idee van straffeloosheid bij de publieke opinie gevoed. De rol van de media is hierbij niet te onderschatten. Het is daarom belang dat justitie transparant uitleg geeft bij beslissingen die niet zo maar te begrijpen zijn voor de publieke opinie.

Tot slot formuleerde hij nog een suggestie om het gebruik van alternatieven te stimuleren. De wet is ambitieus en stelt tegelijkertijd twee doelstellingen voor een voorlopige hechtenis: beveiliging van de maatschappij en voorkomen van collusie/veiligstellen van bewijsmateriaal. Misschien moeten die uit elkaar worden getrokken? Waarom niet voorzien dat een verdachte kan verzaken aan het vermoeden van onschuld waardoor een voorlopige hechtenis niet meer nodig is? Is het niet bedenkelijk dat een vermoeden dat in het voordeel van de verdachte is gecreëerd, zich tegen hem keert? 

Systeem faalt, niet de wetgever

Met deze vragen in het achterhoofd was het de beurt aan de derde spreker: Karel Van Cauwenberghe, al 19 jaar onderzoeksrechter en voormalig voorzitter van de vereniging van onderzoeksrechters. Ook hij stelde als uitgangspunt dat het systeem faalt en niet de wetgever. De voorlopige hechtenis als beveiligingsmaatregel riskeert door een gebrekkige strafuitvoering het enige moment te worden waarop de betrokkene echt in een gevangenis zit. Het afleveren van een aanhoudingsmandaat wordt nooit routine. Vele elementen moeten worden afgewogen en de voorziene strafzwaarte voor de ten laste gelegde feiten, mag niet bepalend zijn. De verlenging van de aanhoudingstermijn naar 48 uur zal enkel werken als er ook duidelijke richtlijnen zijn bij politie en parket om niet tot het laatste moment te wachten om de betrokkene voor te leiden voor de onderzoeksrechter.

Karel Van Cauwenberghe vond net als de vorige sprekers dat de publieke opinie inderdaad repressiever is geworden, maar hij stelde tegelijk dat een onderzoeksrechter daar moet boven staan. Doorheen zijn carrière als onderzoeksrechter had hij drie belangrijke categorieën van personen onderscheiden waarvoor het extreem moeilijk is een beslissing te nemen: personen die door de mazen van alle sociale vangnetten zijn gevallen (zowel Belgen als niet-Belgen), personen zonder legale verblijfstitel en verslaafden.

Zwijgrecht

Het case-management in Antwerpen voor deze laatste groep is een goede zaak maar ook daar stoten we op de limieten van alternatieven. Stel dat een betrokkene met huisarrest zich na drie dagen bij een politiecontrole niet op het afgesproken tijdstip thuis bevindt, hoe moet men dan reageren? Hier is geen alternatief meer. Ook de taal is vaak een probleem: hoe begeleiding of therapie opleggen als de betrokkene de taal niet spreekt? En dus is het voor Karel Van Cauwenberghe zonneklaar dat er volop moet worden ingezet op preventie. Toch ziet hij in recente cijfers van het ressort Antwerpen dat ondanks deze moeilijkheden, er meer en meer gebruik wordt gemaakt van alternatieven.

Tot slot wees hij op het perverse effect dat het uitoefenen van het zwijgrecht kan hebben. Als de betrokkene hiervan gebruik maakt bij het verhoor, wat natuurlijk zijn volledige recht is, dan kan er enkel worden beslist op basis van wat zich in het dossier bevindt.

Motiveringsverplichting in Frankrijk

Als afsluiter was het de beurt aan Raf Verstraeten, bijzonder hoogleraar aan de K.U. Leven, advocaat en door de minister van Justitie belast met de coördinatie van het werk van de Commissies die het strafrecht en het strafprocesrecht moeten hervormen. Hij stelde dat de cijfers van het aantal personen in voorlopige hechtenis niet liegen. Maar ze zijn paradoxaal. Sinds de wetswijziging van 1990 is de wet voorlopige hechtenis maar liefst 20 maal aangepast maar de cijfers blijven stijgen. Hij sloot zich aan bij de vorige sprekers en stelde dat de publieke opinie strenger is geworden. Maar het aantal voorlopig gehechten is niet een zuiver Belgisch probleem, het is een universeel probleem. En iedereen is op zoek naar oplossingen.

Hij verwees naar Frankrijk, waar ze trachten om met een motiveringsverplichting te werken. Bedoeling is de reflectie weer te geven die de ‘juge des libertés’ moet maken: “Kan ik de doelstellingen die ik wil realiseren met het oog op de beveiliging van de maatschappij op een andere manier nastreven?”. Voorlopige hechtenis is enkel mogelijk als een vrijheid onder voorwaarden niet afdoende zou zijn. Duitsland heeft een systeem waarbij het op een gegeven moment verplicht is om over te schakelen naar een alternatief. En in Nederland is er zelfs een relatie gecreëerd tussen de duur van de voorlopige hechtenis en de verwachte strafduur, wat een moeilijke, zelfs delicate, denkoefening is.

Rol van de onderzoeksrechter

De Commissie hervorming strafprocesrecht heeft inderdaad de quotaregeling naar voren geschoven als een principieel verdedigbare optie. Maar geconfronteerd met de praktische moeilijkheden om dit uit te voeren, besliste de Commissie dit niet te behouden in haar ontwerpteksten.

Raf Verstraeten lichtte ook een tip van de sluier op van de voorstellen van de Commissie, o.m. met betrekking tot de controle van de raadkamer die terug naar een maandelijkse controle zal worden gebracht. Ook de beperking van het cassatieberoep tot de eerste beslissing van de raadkamer zal niet worden behouden door de Commissie. Voor wat de onderzoeksrechter betreft, gaf hij duidelijk aan dat de Commissie die niet wil afschaffen. Wel wil ze zijn rol herschrijven. Raf Verstraeten achtte het van belang dat de onderzoeksrechter een ‘gezonde afstand’ behoudt van het onderzoek om zo over vrijheid of niet-vrijheid te kunnen oordelen, en dit om op verzoek van de procureur des Konings een aanhoudingsbevel te kunnen afleveren. Na de eerste controle op de regelmatigheid van de voorlopige hechtenis door de raadkamer, zal de maandelijkse controle van de voorlopige hechtenis in handen komen van de onderzoeksrechter.

De vier sprekers hielden zich stipt aan de hun toebedeelde tijd en dus was er nog ruimte voor vragen en opmerkingen. 

 Klik hier voor de presentatie van Eric Maes (PPTX, 1.43 MB)