Strafzaken

  1. De tweede kamer van het Hof neemt met name kennis van cassatieberoepen in strafzaken. Dat zijn cassatieberoepen die, enerzijds, gericht zijn tegen arresten van de hoven van assisen, arresten van de kamers van inbeschuldigingstelling, arresten van de hoven van beroep (correctionele kamers) en anderzijds, tegen vonnissen in hoger beroep van de correctionele rechtbanken en vonnissen van de strafuitvoeringsrechtbanken.

  2. Behoudens de uitzonderingen die de wet op beperkende wijze opsomt, is cassatieberoep alleen mogelijk tegen de eindbeslissingen die in laatste aanleg uitspraak doen over de strafvordering en eventueel over de bijhorende burgerlijke rechtsvordering.

  3. De termijn waarbinnen het cassatieberoep moet worden ingesteld, bedraagt in de regel vijftien dagen na de uitspraak van de bestreden beslissing. Inzake voorlopige hechtenis bedraagt die termijn slechts vierentwintig uren. De verklaring gebeurt in beginsel op de griffie van het gerecht dat het bedoelde vonnis of arrest heeft gewezen. Die verklaring kan ook in de gevangenis worden gedaan door personen die in voorlopige hechtenis zitten of door degenen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.

  4. Elk cassatieberoep moet, bij gerechtsdeurwaardersexploot,  worden betekend aan de partij tegen wie het gericht is. Dit geldt niet als de vervolgde persoon een cassatieberoep instelt dat slechts betrekking heeft op de strafvordering.

  5. Cassatieberoepen die kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn, worden niet noodzakelijk meer op de zitting behandeld. Ze kunnen worden verworpen door een beschikking van de afdelingsvoorzitter na eensluidend advies van het openbaar ministerie.

  6. De procedure is schriftelijk. In beginsel wordt voor het Hof niet gepleit. De eiser moet zijn cassatiemiddelen uiteenzetten in een geschrift, “memorie in cassatie” genaamd, dat vóór de zitting is neergelegd.  Zijn tegenstrever, de verweerder, kan daarop reageren met een memorie van antwoord. 

  7. De verklaring van cassatieberoep en de memorie moeten, in de regel, ondertekend zijn door een advocaat. Deze hoeft niet noodzakelijk lid  te zijn van de balie van Cassatie. Die advocaat moet daarentegen houder zijn van een getuigschrift van opleiding in cassatieprocedures in strafzaken. De lijst van advocaten die houder zijn van dat getuigschrift kan via de onderstaande links worden geraadpleegd.                                                                                                                                                                                                                    Avocats.be (F)   -   Advocaat.be (NL)

  8. De formulering van een cassatiemiddel is een technische aangelegenheid. In strafzaken is de vermelding van de als geschonden aangevoerde wetsbepaling niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Nochtans moet het middel meerdere klippen, zoals onduidelijkheid, de miskenning van het devolutief effect van het beroep, het nieuw karakter, de feitelijke betwisting of het gebrek aan belang, omzeilen wil het niet stranden bij de niet‑ontvankelijkheid.

  9. Opdat een memorie ontvankelijk zou zijn, moet zij niet alleen binnen de termijn van twee maanden na de verklaring van cassatieberoep worden neergelegd, maar ook ten minste vijftien dagen vóór de zitting. Bovendien moet de memorie per aangetekende brief of elektronisch worden gecommuniceerd aan de partij waartegen het cassatieberoep is gericht. De memorie van antwoord moet uiterlijk acht dagen vóór de zitting worden neergelegd en gecommuniceerd worden aan de eiser.

  10. Ook al moet de eiser geen memorie neerleggen, toch blijft dit aan te raden. Het Hof van Cassatie motiveert weliswaar altijd zijn arresten, maar het zal alleen de redenen van verwerping verduidelijken in de mate er een of meer cassatiemiddelen regelmatig voor het Hof zijn aangevoerd.

  11. De partijen worden opgeroepen voor de zitting van het Hof. Deze zitting is in essentie gewijd aan het horen van de conclusies van de advocaat-generaal. Als de eiser een gedetineerde  is, wordt hij slechts voorgeleid als hij middelen heeft aangevoerd of om hem de mogelijkheid te bieden te antwoorden op een middel van niet-ontvankelijkheid tegen zijn cassatieberoep.

  12. Het Hof doet zowel in afwezigheid als in aanwezigheid van de partijen uitspraak. Het is voor de partijen niet verplicht ter zitting te verschijnen. Dat kan nochtans wel nuttig zijn, bijvoorbeeld om het standpunt van het openbaar ministerie te kennen en er in voorkomend geval op te antwoorden, of om afstand te doen van een beroep dat voortijdig werd ingesteld.

  13. Het Hof van Cassatie doet meestal uitspraak op de dag van de zitting. Via een telefoontje naar de griffie de volgende dag krijgen de partijen kennis van het resultaat.