De erkenning kan worden betwist als de afstamming niet overeenstemt met de biologische realiteit of als de toestemming tot de erkenning gebrekkig was, tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de persoon die het kind heeft erkend.

artikel 330 BW

artikel 325/7 BW

De familierechtbank is bevoegd voor alle vorderingen rond de afstamming.

artikel 572bis Ger.W. (materiële bevoegdheid)

artikel 629bis, § 5 Ger.W. (territoriale bevoegdheid)

De vordering tot betwisting van erkenning van het moederschap kan worden ingesteld door:

  • de vader, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die het kind erkend heeft niet de moeder is;
  • de vrouw die het kind erkend heeft, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij niet de moeder is;
  • het kind, ten vroegste op de dag waarop het de leeftijd van 12 jaar bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van 22 jaar bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die hem erkend heeft niet zijn moeder is;
  • de vrouw die het moederschap van het kind opeist, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij de moeder van het kind is.

De vordering tot betwisting van erkenning van het vaderschap kan worden ingesteld door:

  • de moeder, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die het kind erkend heeft niet de vader is;
  • de man die het kind erkend heeft, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader is;
  • het kind, ten vroegste op de dag waarop het de leeftijd van 12 jaar bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van 22 jaar bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die hem erkend heeft niet zijn vader is;
  • de man die het vaderschap van het kind opeist, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is;
  • de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van overtallige embryo’s en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn.

arresten Grondwettelijk Hof nr. 168/2015 en nr. 161/2016 (m.b.t. artikel 330, § 1, eerste lid, tweede zin BW m.b.t. de vordering van het kind en het bezit van staat)

arresten Grondwettelijk Hof nr. 29/2013 en nr. 96/2013 (m.b.t. artikel 330, § 1, eerste lid, tweede zin BW  m.b.t. de vordering van de man die het kind opeist en het bezit van staat)

arresten Grondwettelijke Hof nr. 127/2014, nr. 139/2014 en nr. 35/2015 (m.b.t. artikel 330, § 1, eerste lid, tweede zin BW m.b.t. de vordering van de man die het kind heeft erkend en het bezit van staat)

arresten Grondwettelijk Hof nr. 54/2011 (m.b.t. artikel 330, § 1, tweede lid BW)

arrest Grondwettelijk Hof nr. 54/2011, nr. 165/2013 en nr. 77/2016 (m.b.t. artikel 330, § 1, vierde lid BW)

arrest Grondwettelijk Hof nr. 118/2014 (m.b.t. artikel 25, § 1 van de wet van 1 juli 2006)

De vordering tot betwisting van erkenning van het meemoederschap kan worden ingesteld door:

  • de man die het vaderschap opeist, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is;
  • de persoon die het kind erkend heeft, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de verwekking van het kind niet het gevolg kan zijn van de daad waarin de persoon die het kind erkend heeft overeenkomstig de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten heeft toegestemd;
  • de moeder, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de verwekking van het kind niet het gevolg kan zijn van de daad waarin de persoon die het kind erkend heeft overeenkomstig de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten heeft toegestemd;
  • het kind, ten vroegste op de dag waarop het de leeftijd van 12 jaar bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van 22 jaar bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de verwekking niet het gevolg kan zijn van de daad waarin de erkenner overeenkomstig de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van overtallige embryo’s en de gameten heeft toegestemd;
  • de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij heeft toegestemd in de verwekking overeenkomstig de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten en de verwekking het gevolg kan zijn van die daad.

arrest Grondwettelijk Hof nr. 24/2017 (m.b.t. artikel 325/7, § 1, vijfde lid BW)