De afstammingsband op grond van het 'vermoeden van vaderschap' kan worden betwist met alle rechtsmiddelen, tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

De familierechtbank is bevoegd voor alle vorderingen rond de afstamming.

artikel 572bis Ger.W. (materiële bevoegdheid)

artikel 629bis, § 5 Ger.W. (territoriale bevoegdheid)

De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap kan worden ingesteld door:

  • de moeder, binnen een jaar na de geboorte;
  • het kind, ten vroegste op de dag waarop het de leeftijd van 12 jaar bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van 22 jaar bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is;
  • de echtgenoot, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is;
  • de man die het vaderschap van het kind opeist, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is;
  • de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat het kind verwekt werd als gevolg van de overeenkomst tussen haar en de moeder (overeenkomst opgesteld naar aanleiding van een medisch begeleide voortplanting).

artikel 318 BW

arresten Grondwettelijk Hof nr. 20/2011, nr. 105/2013 (m.b.t. artikel 318, § 1 BW)

arresten Grondwettelijk Hof nr. 96/2011 en nr. 3/2018 (m.b.t. artikel 318, § 2 BW)

arresten Grondwettelijk Hof nr. 147/2013 en nr. 18/2016 (m.b.t. artikel 318, §§ 1 en 2 BW)