De opdracht van de bewindvoerder wordt omschreven door de vrederechter.

De vrederechter kan beslissen om de bewindvoerder aan te stellen ofwel voor de persoon, ofwel voor de goederen, ofwel voor beiden. Hij geeft de voorkeur aan de aanstelling van een persoon uit de omgeving van de beschermde persoon.

De vrederechter moet voor een aantal handelingen ook uitdrukkelijk aangeven of de beschermde persoon er bekwaam of onbekwaam toe is, bijvoorbeeld voor de keuze van de verblijfplaats (in geval van bescherming van de persoon) of voor een schenking onder levenden (in geval van bescherming van de goederen).

Daarnaast zal de vrederechter aangeven of het gaat om een bijstandsopdracht of om een opdracht van vertegenwoordiging.

In het kader van zijn opdrachten moet de bewindvoerder de belangen van de beschermde persoon behartigen, toezien op zijn onderhoud en zijn autonomie bevorderen. Hij moet in de mate van het mogelijke proberen om hem te betrekken bij de uitoefening van het bewind en om hem te informeren over de handelingen die hij stelt. Ze plegen minstens eenmaal per jaar overleg.

De bewindvoerder kan zich laten bijstaan door een of meerdere personen (boekhouder, enz.).

Hij kan een bezoldiging ontvangen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de beschermde persoon. Die bezoldiging kan worden verhoogd om bepaalde kosten te vergoeden. Hij kan ook een vergoeding krijgen voor bepaalde uitzonderlijke prestaties die hij heeft verricht.

Dat alles gebeurt onder toezicht van de vrederechter.