Algemeen

In mei 1994 heeft de OESO (Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling) de werkgroep inzake corruptie in internationale zakelijke transacties opgericht. Deze werkgroep staat in voor een systematische follow-up van de toepassing door de ondertekende landen van het OESO-Verdrag inzake de bestrijding van corruptie van buitenlandse ambtenaren in internationale handelstransacties, evenals van de bijhorende aanbeveling van 1997.

De werkgroep is samengesteld uit regeringsdeskundigen van 38 deelnemende landen. De werkgroep komt vier maal per jaar samen op de zetel van de OESO in Parijs om de naleving van het verdrag te controleren. Dit proces van follow-up dat gegrond is op wederzijds onderzoek, kan in drie onderzoeksfasen worden ingedeeld.

Fase 1 bestaat uit een algemene evaluatie van de overeenstemming van de anti-corruptiewetten van het land met de bepalingen van het OESO-Verdrag.
Fase 2 bestaat uit een week intensieve vergaderingen in het onderzochte land met sleutelactoren van de overheid, wetshandhavingsautoriteiten, zakenmilieus, vakbonden en het maatschappelijk middenveld. Door een beroep te doen op die actoren kan de werkgroep de efficiëntie van de wetten ter bestrijding van grensoverschrijdende corruptie van het land op het terrein evalueren.
Fase 3 concentreert zich op 3 pijlers: de vooruitgang die de landen hebben gemaakt op de zwakke punten die in fase 2 werden geïdentificeerd en de eventuele discussies die zijn gerezen nadat de wetgeving is veranderd.  Er wordt ook gekeken naar de resultaten die er zijn geboekt en de inspanningen die de landen hebben geleverd.

Evaluaties van België

Voor fase 1 werd België geëvalueerd in oktober 1999. Over het geheel genomen was de werkgroep van oordeel dat de toepassingswet van België in overeenstemming is met de meeste voorschriften van het verdrag. Er werden vragen gesteld bij de betekenis van het begrip buitenlandse ambtenaar, de extraterritoriale bevoegdheid en de fiscale aftrekbaarheid van steekpenningen. Bovendien moesten bepaalde materies tijdens fase 2 van het evaluatieproces aan een nieuw onderzoek worden onderworpen.

In het verslag van fase 2 wordt de tenuitvoerlegging door België geëvalueerd van het OESO-Verdrag inzake de bestrijding van corruptie van buitenlandse ambtenaren in internationale handelstransacties. Over het algemeen is de werkgroep van oordeel dat de Belgische overheid belangrijke inspanningen heeft geleverd voor de tenuitvoerlegging van het verdrag. Op het tijdstip van het onderzoek van België voor fase 2 (juli 2005) werd in vier vermoedelijke gevallen van grensoverschrijdende corruptie een voorafgaand opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek gevoerd. De werkgroep heeft niettemin enkele lacunes geconstateerd en in bepaalde domeinen verbeteringen aanbevolen. In het bijzonder heeft de werkgroep gewezen op het feit dat het Belgische recht onder bepaalde voorwaarden de fiscale aftrekbaarheid van onverschuldigde voordelen uitgekeerd aan ambtenaren mogelijk maakt. Het is van fundamenteel belang voor de werkgroep dat het Belgische fiscale recht zo snel mogelijk een algemeen verbod invoert van de fiscale aftrekbaarheid van voordelen van gelijk welke aard, uitgekeerd aan een buitenlandse ambtenaar.

 De werkgroep heeft eveneens met nadruk gewezen op de verplichting van België om een autonome definitie van de buitenlandse ambtenaar in te voeren in het nationale recht, teneinde het volledige toepassingsgebied dat vereist is door het verdrag te dekken. In dezelfde optiek heeft de werkgroep aanbevolen dat België corrigerende wetgevende maatregelen zou nemen om de efficiëntie van de Belgische extraterritoriale en universele bevoegdheden voor het misdrijf corruptie van buitenlandse ambtenaren, gepleegd buiten het Belgische grondgebied, ten volle te garanderen.

België zou ook meer aandacht moeten besteden aan de actoren van de gerechtelijke procedure (politie, openbaar ministerie, onderzoeksmagistraten) om ervoor te zorgen dat zij over de nodige middelen beschikken om een daadwerkelijke vervolging van het misdrijf corruptie van buitenlandse ambtenaren te garanderen. Daarom heeft de werkgroep met name de samenstelling van een strafrechtelijk netwerk voor de vervolging van economische criminaliteit aanbevolen. Teneinde de opsporing en de vervolging van misdrijven te verbeteren heeft de werkgroep ook voorgesteld dat België erover nadenkt om de revisoren ertoe te verplichten, de overheden voor strafrechtelijke vervolging op de hoogte te brengen van verdenkingen van corruptie ingeval de organen van de vennootschap niet optreden nadat zij door de bedrijfsrevisor naar behoren zijn geïnformeerd.

Het verslag vestigt ook de aandacht op een aantal positieve aspecten van de bestrijding van grensoverschrijdende corruptie in België. De overeenkomstige wetgeving is bijvoorbeeld recent gewijzigd om de verbeurdverklaring van het voorwerp of de opbrengsten van misdrijven te vergemakkelijken, met inbegrip van vermogenswaarden afkomstig van corruptie of die verband houden met corruptie. België heeft tevens de onderzoeksinstrumenten versterkt die ter beschikking staan van Belgische magistraten in het kader van dossiers die verband houden met zware criminaliteit, waaronder grensoverschrijdende corruptie. De Belgische overheid besteedt bijzondere aandacht aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen en heeft ter zake een belangrijk proces inzake hervorming van de wetgeving opgestart, dat het probleem van de toepassing van de wet op gevallen van grensoverschrijdende corruptie zou moeten aanpakken.

De werkgroep van de OESO heeft het verslag met de gedetailleerde conclusies van de Argentijnse en Zwitserse deskundigen en met een aantal aanbevelingen op 21 juli 2005 goedgekeurd. Het verslag is gebaseerd op door België geleverde informatie en documentatie - wetgeving, regelgeving en andere - en op informatie en documentatie verzameld tijdens het plaatsbezoek van het onderzoeksteam aan Brussel. Tijdens dat vijfdaagse plaatsbezoek in januari 2005 heeft het onderzoeksteam leden van de verschillende administraties van de Belgische Staat en vertegenwoordigers van de privésector en het maatschappelijk middenveld kunnen ondervragen. Als bijlage bij het verslag gaat een lijst van de ondervraagde administraties en organisaties.

Ondertussen heeft België al inspanningen geleverd om de aanbevelingen van dit verslag in wetgeving om te zetten.  Er is een algemeen verbod ingevoerd van de fiscale aftrekbaarheid van voordelen van gelijk welke aard, er is een functionele definitie van het begrip publieke buitenlandse ambtenaar en extraterritoriale bevoegdheid is aangepast.  Er is ook een expertisenetwerk opgericht dat magistraten die bezig zijn met corruptie op regelmatige basis laat samenkomen.

De evaluatie van België in het kader van fase 3 gebeurde in 2013, het rapport werd goedgekeurd in oktober.

Positieve punten uit het Fase 3-rapport:

  • Brede mogelijkheid voor confiscatie.
  • Vrij veel aan sensibilisering gedaan. Er zijn veel studiedagen en conferenties geweest rond corruptie.
  • Er is wetgeving rond klokkenluiders. De evaluatoren plaatsten er als kanttekening wel bij dat het enkel misdragingen binnen de overheidsdienst betreft, en het strekt zich ook niet uit naar de privésector.
  • De belangrijke rol van het CTIF in het opsporen van feiten van internationale corruptie.

Negatieve punten uit het Fase 3-rapport:

  • De evaluatoren stipten als grootste probleem aan dat er niet voldoende middelen zijn (zowel materieel als mensen) om tegen internationale corruptie op te treden.
  • Ze laakten ook het feit dat België niet proactief genoeg zou optreden. We reageren enkel als er een klacht wordt neergelegd. De werkgroep hanteert een systeem waarbij het de pers van overal ter wereld bekijkt om te zien of er ergens zaken van internationale corruptie worden vermeld. Die worden per land opgelijst, en de landen moeten zich dan verantwoorden welke stappen ze hebben ondernomen.
  • Daaruit vloeit ook voort dat we te weinig zaken onderzoeken en vervolgen.
  • We hebben nog niet alle aanbevelingen van fase 2 omgezet.
  • De verjaringstermijn, die momenteel 5 jaar bedraagt, verlengbaar tot 10 jaar, wordt als te kort beschouwd. Ook al omdat uit de praktijk is gebleken dat er in veel zaken een straf met uitstel wordt opgelegd, onder andere wegens een overschrijding van de redelijke termijn.
  • Internationale corruptie wordt niet als prioriteit beschouwd in België. Dat blijkt uit het feit dat corruptie niet meer als zodanig wordt beschouwd in het Nationaal Veiligheidsplan. In vorige edities werd het wel nog expliciet vermeld. Dit is echter een politieplan, maar heeft toch een zeker impact op de besteding van middelen.
  • De opgelegde straffen zijn niet hoog genoeg en hebben geen ontradend effect. De mogelijke straffen zouden dan ook hoger moeten zijn, zeker voor rechtspersonen. Er wordt ook niet genoeg gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bijkomende straffen op te leggen zoals confiscatie.

De volledige verslagen

Verslag fase 1:

Klik hier voor de Engelse versie
Klik hier voor de Franse versie

Verslag fase 2:

Klik hier voor de Engelse versie
Klik hier voor de Franse versie

In oktober 2007 heeft België aan de werkgroep een schriftelijk rapport over de genomen maatregelen voorgesteld, teneinde gevolg te geven aan de aanbevelingen van het evaluatieverslag met betrekking tot fase 2. Dit rapport werd voorbereid in een interdepartementale werkgroep, die speciaal in het leven is geroepen om de uitvoering van de aanbevelingen van de OESO op te volgen. Deze werkgroep bestaat uit leden van de relevante FOD's (FOD Justitie, FOD P&O, FOD Budget en Beheerscontrole, ...) en andere actoren betrokken bij het Belgische anti-corruptiebeleid, zoals o.a. de Federale Politie (DGJ-DJF, CDBC) en het expertisenetwerk ECOFIN. Op die manier kaderen de discussies omtrent de uitvoering van de aanbevelingen in een globaal, multidisciplinair georiënteerd en geïntegreerd beleid.

De werkgroep is van oordeel dat er van de zestien voorgestelde aanbevelingen negen zijn uitgevoerd, drie gedeeltelijk zijn uitgevoerd en vier niet zijn uitgevoerd. Die vier niet-uitgevoerde aanbevelingen hebben betrekking op de bewustmaking van de publieke sector en de privésector, de bescherming van klokkenluiders en de aansprakelijkheid van rechtspersonen.

Verslag van opvolging (januari 2008):

Klik hier voor de Engelse versie
Klik hier voor de Franse versie

Verslag van opvolging (oktober 2013):

Klik hier voor de Engelse versie
Klik hier voor de Franse versie

Klik hier voor meer info over de werking van de OESO-werkgroep